De Duosport visie en filosofie

Op deze pagina lees je over onze filosofie en de uitgangspunten die wij gebruiken in onze opleiding en lessen, en hoe deze aansluiten op de verschillende onderwerpen die je kunt vinden op de schaatsacademie.

 

In 1990 is Duosport op de Jaap Edenbaan in Amsterdam gestart met het verzorgen van schaatslessen voor recreanten. Hierbij zijn we meteen begonnen vorm en inhoud te geven aan onze eigen opleiding. De reden hiervoor zit voornamelijk in onze eigen overtuiging van de schaatsbeweging en de manier waarop je die zou moeten aanleren. Er was simpelweg nog geen bestaande scholing die recht deed aan die gedachten. De filosofie achter onze lessen is dat elke schaatser dezelfde kwaliteit van begeleiding krijgt ongeacht het schaatsniveau. Van 5 jarigen tot snelle (wedstrijd)rijders, iedereen krijgt een goede schaatsinstructeur voor zich.

Om dit voor elkaar te krijgen zijn we van begin af aan  instructeurs gaan opleiden. Behalve dat “leren schaatsen” een proces is, is “beter schaatsles geven” dat ook. Zelfs onze visie op hoe je goede schaatslessen geeft en wat je je cursisten aanleert blijft altijd door ontwikkelen (een goede leermethode). In de opleiding van onze instructeurs steken we veel energie en kennis en dat delen we graag met iedereen. Zo hebben we inmiddels al ruim 1200 instructeurs opgeleid! 


Een van de inzichten die ons veel heeft geboden is dat we uitgaan van lichaamsintelligentie. Het lichaam heeft, vanuit zelforganisatie en een zelf-lerend vermogen, eigenlijk altijd de potentie elk (bewegings)probleem op te lossen.
Elke beweging die we maken (en dus zeker ook de schaatsbeweging) is uitermate complex. We hebben ongeveer 100 mobiele gewrichten in ons lichaam en ongeveer 640 spieren. Niet elk gewricht en elke spier heeft een functie bij de schaatsbeweging, maar er zijn zo veel onderdelen bij betrokken 
dat geen beweging ooit hetzelfde is of kan zijn. Ons lichaam heeft dus een grote vorm van “zelforganisatie” nodig om gecoördineerd (functioneel en doelmatig) te kunnen bewegen.
Bewegen is een vorm van reageren op waarnemingen (voelen, zien, horen), zonder dat daarbij altijd een bewuste sturing/bewerking nodig is. Bewegen gebeurt nooit in het luchtledige maar altijd in een omgeving. Het is dan ook eigenlijk een vorm van aanpassen aan de omgeving. Om te leren schaatsen moet je om kunnen gaan met schaatsen op ijs. Jij maakt een beweging (stap op het ijs), je krijgt daar informatie over (via waarneming) en past die informatie weer toe in je bewegen. Er is een soort constante feedback loop. 

 

Een belangrijk uitgangspunt dat we gebruiken in ons lesgeven is dat we er vanuit gaan dat iedere schaatser uniek is. Je bent in je les dus samen met de cursist op zoek naar een schaatsbeweging die past bij de schaatser en effectief is.
Dit betekent dat er geen universele techniek is waaraan iedereen moet voldoen. Beter leren schaatsen is een proces dat voor iedereen anders verloopt omdat iedere schaatser uniek is. Er is dus geen universeel, van te voren te plannen proces. We kunnen niet uitgaan van een lineair leerproces. Een veelzijdige, spiraalvormige, non-lineaire ontwikkeling geeft (op lange termijn) een beter resultaat en biedt bovendien meer ruimte voor plezier. Je kunt een beweging het best aanleren door met veel variatie in aanraking te komen.

Het non-lineair aanleren van een beweging combineert verschillende hedendaagse theorieën over motorisch leren in een pedagogisch model. Met non-lineair aanleren wordt bedoeld  dat er geen directe lineaire relatie is tussen input en output bij motorisch leren, dit in tegenstelling tot de meer traditionele benadering. 

Lineair Non-lineair
expliciet impliciet
modulair holistisch
sjabloon leren individuele techniek invulling
docent bepaalt de leerroute leerling bepaalt (mede)de leerroute
drillen/herhalen
verscheidenheid in aanbod (differentieel leren)

Niet alleen expliciet maar juist ook impliciet
Vraag jezelf eens af hoe je hebt leren lopen. Is er toen verteld hoe het precies moest? Nee, je werd verleid tot naar een ouder lopen en daarmee oefende je en leerde je lopen. Heel veel vaardigheden heb je op die manier geleerd. Fietsen, huppelen, hoela hoepen, touwtje springen en zo kunnen we wel doorgaan. Wanneer je precies verteld wordt wat je moet doen, hoe je een beweging moet uitvoeren, welke stappen er voor nodig zijn, noemen we dat expliciet leren. Bij impliciet leren komt minder uitleg in woorden kijken, maar wordt je als het waren uitgenodigd tot een bepaalde beweging of uitkomst. Dit is veel individueler en hierbij krijg je de kans om veel zelf te voelen en uitzoeken. Het ingewikkelde hiervan als instructeur is dat veel c
ursisten graag expliciet willen horen wat ze fout doen of hoe ze iets moeten verbeteren. Het is aan ons om ze te verleiden tot een passendere schaatsbeweging.

Niet alleen modulair maar juist ook holistisch:
Meer holistisch betekent het oefenen van gehele beweging in een passende situatie. Je kunt een beweging wel vereenvoudigen, maar je gaat de beweging niet opdelen in deeltjes. Als de cursisten op die manier iets leren, hebben ze gelijk het gevoel dat ze ook echt schaatsen en; waarom alles in delen knippen als het gelijk als een geheel toegepast kan worden?
Holistisch is ook dat je de mens niet alleen ziet als een mechanisch of bio-mechanisch, maar als een neuro-bio-mechanisch individu en dat betekent dan ook dat je rekening moet houden met o.a. de emotionele staat van de persoon, de invloed van de weersomstandigheden, het tijdstip van de dag, drukte op de baan, de hele dag bewogen of juist stilgezeten, etc.

Een meer individuele techniek invulling
Een trainer of instructeur heeft veekeen ideaal plaatje op zijn netvlies wat ze de cursisten willen aanleren. Die krijgen te horen waar hun techniek niet past in het plaatje. Dat plaatje is hierbij leidend en niet de individuele kenmerken en voorkeuren van een schaatser. Vasthouden aan een ideaal plaatje, als het al zou kloppen, betekent een kans op frustratie bij cursisten als ze dat plaatje niet kunnen bereiken. De vraag is, hoe gaat de cursist beter schaatsen binnen de eigen mogelijkheden (fysiek, tijd, sociaal, enz.).

Niet alleen de instructeur maar ook de cursist bepaalt de leerroute
Trainer bepaalt de leerroute: Trainer bepaalt de les en geeft de schaatsers feedback op wat deze belangrijk vindt.
Schaatser bepaalt de leerroute: Cursist geeft bij trainer aan wat de leerbehoefte is en instructeur past de les daarop aan.
Wanneer cursisten invloed hebben op de les zijn ze meer betrokken en leren daardoor meer en ook sneller. Natuurlijk blijf jij de instructeur; je bedenkt de les en maakt een voorbereiding, maar hierbinnen is ruimte voor cursisten om invloed te hebben. Als de cursist invloed heeft op het leerproces, is de kans het grootst dat er een veilige en prettige leeromgeving wordt ervaren waarin de cursist enthousiast kan ontdekken en leren. Soms kan een enkele keuze al een goed gevoel geven. Hiermee bied je ondersteuning voor de zelforganisatie van het lichaam. Bovendien biedt dit heel veel ruimte voor jou als instructeur om te leren!

Verschillende variatievormen gebruiken
Herhalen: één onderdeel veel herhalen om het “in te slijpen”.
Verscheidenheid in aanbod: veel verschillende bewegingsvormen aanbieden om een breed coördinatief vermogen te kweken. Juist door veel variatie aan te bieden faciliteer je het zelf-organiserend en zelf-lerend vermogen van het lichaam. Variatie zit onder andere in het aanbieden van verschillende situaties om te oefenen en toe te passen, diversiteit van opdrachten met verschillende snelheden en frequenties. Dit geeft ons als instructeurs heel veel ruimte voor creativiteit. Er zijn dus heel veel mogelijkheden om het lichaam te prikkelen om een (bewegings)oplossing te vinden op een “hoger” niveau.

 

De optelsom van unieke personen en hun eigen, passende schaatstechniek gecombineerd met een non-lineair leerproces maakt dat beter leren schaatsen ook een andere manier van denken over techniek vraagt. Wij kunnen het leerproces net zo min opleggen aan een cursist als een bepaalde schaatstechniek. We kunnen niet spreken van een optimale schaatstechniek (sjabloon) waar iedereen aan moet voldoen.
Als er dan geen universele schaatstechniek is en iedereen een eigen passende schaatsbeweging zou kunnen ontdekken en aanleren, kunnen we als instructeur dan nog wel iets zeggen over die schaatsbeweging? Als we niet uitgaan van een sjabloon of ideaalplaatje dan willen we toch wel weten wát past, wat maakt dat die schaatser zo goed als mogelijk schaatst. Er zijn wel (bio)mechanische uitgangspunten waar omheen een persoonlijke techniek kan worden gebouwd. Vanuit deze uitgangspunten kunnen we wel de schaatsbeweging analyseren. Vanuit de lineaire kant kunnen we de schaatsbeweging opdelen in verschillende onderdelen/fases.


Als we verder kijken naar de schaatsbeweging, kunnen we ook de opdrachten geven vanuit een wat diepere laag van bewegen. We komen dan in de volgende cirkel. De onderdelen van deze cirkel spelen een rol in ieder onderdeel en fase van de schaatsbeweging. Dit zijn bewegings-technische facetten van elke beweging.

Je kan combinaties maken van de onderdelen van deze cirkels. Door een deel van de schaatsbeweging te beoefenen aan de hand van een van de bewegings-technische facetten krijg je meer non-lineair holistische opdrachten. Je gaat aan de slag met de gehele schaatsbeweging in een bepaalde context.

De schaatsbeweging doet ook een beroep op alle fysieke onderdelen van bewegen. Bij het aanleren van schaatsen zullen van deze cirkel vooral de aspecten stabiliteit, behendigheid en power getraind worden. Ook deze aspecten zijn weer te combineren met andere facetten om op een non-lineaire manier de schaatsbeweging aan te leren.

 

Non-lineair aanleren van schaatsen betekent voor ons dat we proberen les en training te geven volgens “actuele inzichten”. Omdat de praktijk van het aanleren van vaardigheden niet zwart wit is gaat het erom dat we als instructeurs veel verschillende vormen en opdrachten tot onze beschikking hebben om de cursisten optimaal te laten schaatsen (een grote, gevulde gereedschapskist). Weten wie je cursist is en je opdrachten daar op aanpassen is dan ook een belangrijk onderdeel. Daarom is het zo belangrijk dat een instructeur goede kennis van de groep heeft.

Alle cursisten van jong tot oud komen om beter en lekkerder te schaatsen. Wij weten dat ergens beter in worden een lang proces is. Daarom is het zaak om cursisten enthousiast te maken (en te houden) om door te gaan in dat proces. Verder gaat iets aanleren beter als je je op je gemak voelt en er weinig of geen angst en stress is. Daarom is elke les bij ons een prettige ervaring die maakt dat ze volgende keer weer willen en liefst nog een keer extra. Wat die les prettig maakt voor cursisten is natuurlijk wel verschillend. Maar uiteindelijk zou je kunnen zeggen dat een goede schaatsles in ieder geval bestaat uit deze drie onderdelen:
–   Het aanleren van de schaatsbeweging
–   met een gezonde dosis inspanning
–   op een gezellige manier

het Duosport handboek