andere les- en opdrachtvormen

Misschien geef je niet iedere les of lesonderdeel met als startpunt een van de aspecten van de drie besproken cirkels. Bijvoorbeeld de lessen die wij geven aan kinderen van 5 en 6 jaar worden meestal verpakt in een fantasieverhaal. Daarbij vertaal je de oefeningen binnen je verhaal en laat je de kinderen als het ware de opdrachten spelen. Je kunt zelf je fantasie gebruiken, maar vaak helpen de kinderen mee om het verhaal vorm te geven. Maak daar gebruik van! Je kan bijvoorbeeld met z’n alle naar de dierentuin, op kamp gaan, op (knuffel)berenjacht, tijdreizen, boodschappen doen en een taart bakken, een wereldreis maken, noem maar op. Het gaat er om dat jij een soort rode draad creëert, waaraan je allerlei verschillende oefeningen kan hangen.Je bent vrij om met eigen fantasie de verhalen in te vullen en de oefeningen te vertalen binnen jouw verhaal. Vraag ook eens aan collega’s wat zij voor verhalen hebben gebruikt.

In Kennis over de groep 5-6 jarigen lees je veel over hoe een 5/6 jarige ongeveer in elkaar steekt en waarom les aan de hand van een verhaal goed bij hun belevingswereld past. In de blog van Mark Van begrijpen naar vertalen lees je een voorbeeld verhaal, en hoe deze samenhangt met de doelen die jij als instructeur voor je groep hebt bedacht, of andersom: hoe jij je doel kan vertalen naar iets wat geschikt is voor (de leeftijd van) jouw groep.
Vergis je niet: het gebruiken van fantasie en verhalen is niet alleen interessant en leuk voor de jongste groepen. Zelfs volwassenen hebben hier baat bij. De vorm past zich wel aan, afhankelijk van voor welke groep je staat. Denk bijvoorbeeld aan metaforen en beeldende uitleg. Laat je hierover inspireren aan de hand van deze blog.

VOORBEELD: NAAR DE DIERENTUIN
We gaan met zijn allen naar de dierentuin. Daar gaan we kijken welke dieren er allemaal zitten en gaan we die dieren nadoen op schaatsen. Moeten we van tevoren nog spullen meenemen? Stop ze dan maar in je rugzakje (lintje).
Eerst ga je op weg naar de dierentuin. Met de fiets, in de auto, lopen? Moeten jullie ergens parkeren? Soms krijgt iemand een lekke band, of moet er tussendoor getankt worden.
Daar koop je bij de kassa een kaartje. Dit kost bijvoorbeeld één high-five. Dan kan iedereen met het gekochte kaartje door het poortje heen.  Vervolgens kun je één voor één langs allerlei verschillende dieren. Als je bij een dier bent, schaats je als dat dier verder naar het volgende dier. Het is jouw taak om aan de hand van de eigenschappen van ieder dier een vertaling te maken naar een schaatsoefening (stampen, diep zitten, V-stand, op één been glijden). Spreek elke keer weer opnieuw een plek af waar je stopt. Afhankelijk van het niveau van je groep, kun je bepalen hoe groot de afstanden steeds zijn naar het volgende dier. Misschien wil je nog ergens in de dierentuin stoppen om even pauze te houden, of kun je ergens een ijsje kopen. Zoals je merkt kun het het verhaal zo veel uitbreiden als je wil.

Hoe gaan we er naar toe?
Je kunt zelf of met de kinderen bepalen hoe je ergens naar toe gaat. Vervolgens probeer je het vervoersmiddel te vertalen naar een schaatsoefening:

 

 

Naast een verhaal kunnen spellen ook onderdeel vormen van je les. Hierbij geldt ook dat dit niet alleen voor de (jongste) jeugd, maar ook voor volwassenen leuk kan zijn, maar dat je de vorm, complexiteit of het type spel moet aanpassen aan je groep. Volwassenen staan misschien niet meer allemaal te springen om een tikspelletje, maar zijn vaak wel geïnteresseerd in een estafette, afvalrace of mini-marathon. De meerwaarde van een spel is dat het uitnodigt om even 100% te geven en vaak uit veel variëteit bestaat: remmen, versnellen, verschillende ritmes, snel draaien, duwen of trekken. Je kan dus heel veel leren voor je eigen schaatsbeweging tijdens een spel.
Denk er aan dat een spelletje doen voor je cursisten mag aanvoelen als een soort cadeautje. Je kan bijvoorbeeld (jeugd) lessen standaard afsluiten met een eindspel en een groot feest bouwen tijdens de laatste les (voor de vakantie), door dan groter uit te pakken.